kalender

 

Ibrahim Selman

Biografie

Ibrahim Selman (Koerdistan - Irak, °1952) vluchtte op 9-jarige leeftijd naar Bagdad. Als student koos hij voor Dramatische kunsten. Tot 1980 werkte hij bij de staatsomroep. In 1981 vroeg hij asiel aan in Nederland. Nu schrijft hij in het Nederlands toneelstukken, gedichten, essays en romans. Hij regisseert theater en film en heeft ook als acteur gewerkt. Zijn meest recente boek is Dapper hart gezocht, een bundeling van persoonlijke literaire reportages over zijn geboorteland (2007).

Selman hoopt zijn volgende roman Aline volledig af te werken. Het hoofdpersonage Aline is een Belgische vrouw van bijna zeventig die aan de Spaanse kust woont en een intense liefdesjaloezie beleeft die fataal zou kunnen aflopen.

Beknopte bibliografie
Dapper hart gezocht (J.M. Meulenhoff, 2007), Tedere zielen (Prometheus, 2006), Vrijheid is dood (In de Knipscheer, 2000), En de zee spleet in tweeën (In de Knipscheer, 2000), Ik dacht aan kokosnoot (In de Knipscheer, 2002), Dans van een bevroren land (De Geus, 1998).

Top

Vertaling

Anker in de Zenne

Als ik in Brussel Centraal aankom en de maffe ondergrondse geuren van de perrons inadem, zoek ik haastig een uitweg naar de frisse lucht en sleep mijn koffers naar boven waar de zon mij verwelkomt.

Ik ben in Brussel. Alleen. Tenminste, enkel met mijn lichaam. Het lichaam van een klein mannetje van 1.78m lang en 84 kilo zwaar, inclusief het kledinggewicht. Maar in elk millimeter van dat mannetje huist een geest, diverse geesten. Mijn lichaam, zoals dat van elke ander mens, is een spokenhuis. Dode zielen gaan niet naar de hemel of verdwijnen onder de aarde, ze verschuilen zich in ons, in de levenden.

Gelukkig zijn mijn spoken braaf, allemaal. Als ze op een of andere manier niet tevreden zijn of aangevallen worden, vormen ze geen last voor de buitenwereld, ze raken onderling slaags. Logisch, want ik ben van origine een Koerdisch spokenhuis. En iedereen weet dat een Koerd liever onderling strijd levert dan tegen mensen van buitenaf.

Waarom ben ik in Brussel? Alleen. Vier weken lang. Dag en nacht inclusief de weekenden? Ben ik soms niet goed bij mijn hoofd dat ik mijn lichaam met al mijn spoken in een appartement, in een gevaarlijk oerwoud, ga opsluiten? Brussel is een jungle waar ik moet overleven. Bij mijn aankomst gaat het bijna mis; de taxichauffeur die me naar de auteursresidentie van Passa Porta brengt, rijdt alsof hij aan een luchtbombardement probeert te ontkomen. In mijn hoofd zeg ik tegen hem: ‘Ik ben niet ernstig ziek en jij rijdt niet in een ambulance.’ Aan het gezicht van mijn gastvrouw lees ik geen paniek, dus het moet de Brusselse rijstijl zijn, denk ik.

Een groot appartement. Licht van kleur, wit. Wit van binnen. Wit van buiten. Wit legbad. Witte gordijnen. Witte tegels. Een paradijselijke ruimte.

‘Laat ons los’, hoor ik een spook fluisteren, zo dicht bij mijn oor dat ik er kippenvel van krijg.

Wanneer hebben mijn spoken me gehoorzaamd, wanneer heb ik ze opgesloten? Ik heb ze nooit gevraagd mijn lichaam te gebruiken, misbruiken. Nee, het spook dat fluistert dat ik het los moet laten is een trage dichter, een slaapkop. Mijn spoken zijn zelfstandig en hebben geen bevel nodig, van wie dan ook, om hun eigen gang te gaan. Bij de trap al, de steile trap met tweeënveertig treden die nauwelijks frisse lucht krijgt, renden mijn spoken naar boven, gleden over de trapleuning en renden weer omhoog. Vóór mijn gastvrouw de sleutel in de deur stak kropen mijn spoken onder de deur door. Irritant. Door hun kinderachtig gedrag en het lawaai kon ik niet goed naar haar luisteren. Ze gidst me door mijn tijdelijk verblijf, nodigt uit me uit voor een lunch, en vertrekt dan snel.

De ruime badkamer nodigt me uit: ‘Kom, ik laat je de trage treinreis vergeten.’

‘Nee, nu niet’, zeg ik en ik kijk naar de man die met verwarde wijdopen ogen in de spiegel, in het niets staart. De man die blijkbaar geen macht heeft over de rimpels, rond zijn ogen en zijn voorhoofd. De rimpels die hun loopgraven verder verdiepen in zijn huid. De man die helemaal niets kan ondernemen tegen zijn haren die met het uur grijzer worden. Hij kijkt me meewarrig aan en ik zie dat zijn rechterwang een aanval van rimpels krijgt en bijna tot zijn hals zakt. De rechterwang van de man lijkt als twee druppels water op mijn linkerwang.

Ik laat de man daar staan en loop de slaapkamer in, een fijne slaapkamer met ingebouwde kledingkasten. Mijn wijsvinger gaat over de planken. Er ligt stof. De kasten zijn allang niet onderhanden genomen.

‘Niet schoonvegen, dit is geen normaal stof maar intellectueel stof, het napeinzende stof van auteurs, van denkers.’ Zo klinkt een stem. Toch gaat een andere eigenwijze persoon door en laat mijn handen de planken schoonvegen. ‘Weg met al dat auteursstof. We gaan geen plagiaat plegen.’

Het oude eikenbureau, met de rug tegen de wand, wordt omsingeld door twee grote ramen. Ik installeer mijn laptop. Als ik rechts kijk, zie ik de toppen van twee bomen en de bovenste verdiepingen van een paar gebouwen. Als ik links kijk zie ik de linkerzijde van een schoolgebouw. Ik hoor lawaai en ga voor het raam staan. De scholieren gaan naar huis, ontspannen. Ik denk terug aan het Koerdisch dorp waar ik in september 1958 aan mijn eerste schooldag begon. Alles komt weer terug, niet alleen de feeststemming van dat moment maar ook vele andere flarden. De heuvelachtige weg van mijn huis naar school verschijnt en ik zie mijn kleine voetjes in de rode aarde die bij elke stap veel stof maken. Het rode stof transformeert tot modder; kleverige hardnekkige modder die aan mijn plastic schoenen vastkoekt. Het lijkt alsof de dode dorpelingen van honderden jaren zich aan mijn plastic schoenen willen vasthouden om weer tot leven te komen.  

Ik loop weg van het raam om niet in de modder van mijn dorp te blijven steken want de doden van mijn dorp hebben lange armen en kunnen me overal bereiken. De brutaaltjes.

Onderweg naar de supermarkt zie ik Marx en Engels bezopen tegen een muur leunen en discussiëren, nog steeds over hun berucht manifest. Ze dragen vodden, hebben hun spullen in plastic tassen en blijven maar zuipen. Ze beseffen niet dat café de Zwaan zich een paar blokken verder in goud hult en neerkijkt op de oneindige rijen toeristen die een glimp willen opvangen van de plaatsen waar Marx ooit zat, wandelde en urineerde. Misschien weten ze niet dat het proletariaat dat ze voor de filosofie noodzakelijk achtten er nu anders uitziet. Het proletariaat van tegenwoordig komt vooral uit (Noord)-Afrika en heeft een filosoof gevonden die zich in duistere grotten verbergt.

De bezopen Marx en Engels zie ik dagelijks, soms zwenkend of rollend over de weg, soms slapend in moslimgebedshouding terwijl hun achterste nat van ontroering is.

Na de lunch houd ik van een wandeling en loop langs een verwaarloosde kerk die er niet alleen als een zwerver uitziet maar een urinoir aan haar zij moet dragen, naast de geuren van de vismarkt. Ik volg een wijde laan die zich aandient en mij langs een andere kerk brengt. Een kerk die geen urinegeur afscheidt maar de geur van geparfumeerde, opgemaakte jonge vrouwen die wachten op werk. Ze vormen het proletariaat dat zonder de filosofie van de penis niet kan bestaan.

In het Brusselse moderne oerwoud waar de hoge gebouwen vechten met de barokke ben ik niet bestand tegen nostalgie. De auto’s, trams, mensen, bedelaars, studenten, pooiers en hoeren komen op me af als wolven en gevaarlijke slangen. Ik krijg heimwee naar mensen die Nederlands of Koerdisch spreken. Na drie dagen houd ik het niet meer vol tussen de spoken van mijn verleden die ondertussen het gezelschap kregen van bekende personen die ooit Brussel hebben aangedaan of er woonden. Ik krijg een grondhekel aan Victor Hugo, de gierige, vreemdgaande bofkont. Ik hoor het geluid van een kogel en zie hem in slowmotion richting Rimbaud gaan. Ik zoek dekking bij de directeur van het Koerdische instituut van Brussel. Hij kalmeert me, trakteert me op een Koerdische maaltijd en brengt we weer terug, naar het appartement waar mijn spoken massaal op me afkomen. Ik raak bedolven onder hun omhelzingen en kussen. Ze brengen me naar bed, maken me een paar uur later weer wakker. Ze verbannen me naar mijn werkkamer, de enige kamer waar het licht brandt.

Ze sluiten me op, bewaken me en schreeuwen: ‘Schrijf.’

Ik denk aan de laatste profeet die in een grot was opgesloten. Zijn dronken spoken droegen hem op: ‘lees.’

‘En wie zal mijn werk lezen?’

‘Schrijf.’

‘Dit is geen grot en ik ben geen profeet.’

‘Beschrijf je belevenissen met de Zenne, de rivier die naar water verlangt. De Zenne die onder je appartement gevangen zit en de maffe geur uitstraalt. De Zenne die tot een riool werd veroordeeld. Zenne, de rivier van bacteriën, ziekten en massadoden. Beschrijf je belevenissen met Leopold I en II, over Herman Gorter en zijn minnares. Schrijf over hoe je na je dood terugkomt als een klein spookje in het lichaam van een vorst die een sluier van beschaving over Brussel zal leggen, de Zenne weer laat stromen en alle bedelaars en hoeren een baan geeft.’

Mijn vingers blijven stijf naar het keyboard kijken. Ik doe mijn ogen dicht en zie een bierdrinkende massa op boeken pissen. Ik zie me door een rimboe van restaurants lopen. Ik zie volle eetboorden om me heen zweven. Ik zie volle monden, kauwende monden, brakende monden. Ik krijg een douche van braaksels over me heen en schrik wakker.

Het is een droom, een droom die me naar Brussel, naar haar contrasten laat verlangen. Of ik nu een vreemde snuiter ben of niet, niemand kan mij mijn Brussel ontnemen. Ik anker me in de Zenne, de zichtbare maar vooral de onzichtbare stroom onder de stad.

Top
Passa Porta
1.09.08 > 29.09.08

Bookmark and Share Terug