kalender

 

Yannick Dangre

Biografie

Yannick Dangre (1987) is een Vlaamse schrijver en dichter. Hij studeerde Nederlandse en Franse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Antwerpen. Dangre publiceert regelmatig in literaire tijdschriften als Het Liegend Konijn, De Groene Amsterdammer en Das Magazin, en in de krant De Morgen. Enkele van zijn gedichtencycli werden vertaald naar het Duits en Engels. Zijn werk wordt uitgegeven bij De Bezige Bij.

Dangre debuteerde op tweeëntwintigjarige leeftijd met de roman Vulkaanvrucht (2010), waarin hij schrijft over een journaliste die haar weg in het leven verloren is. Het verhaal speelt zich grotendeels af in het Italiaanse stadje Livorno. Het boek werd bekroond met de Vlaamse Debuutprijs (2011).

Een jaar na zijn debuut als romancier publiceerde Dangre zijn eerste dichtbundel, Meisje dat ik nog moet, waarvoor hij de Herman De Coninck Debuutprijs (2012) ontving. Maartse kamers, zijn meest recente roman, verscheen in 2013. Met dit taboedoorbrekende boek, dat op de tiplijst van de AKO Literatuurprijs stond, bevestigde hij zijn plaats in het Vlaamse literaire veld.

In het voorjaar van 2015 verblijft Dangre een maand in Rome, via een culturele samenwerking met de Academia Belgica. Hij legt er de laatste hand aan het manuscript van zijn derde roman, die in het najaar van 2015 verschijnt. 

 

Foto © Koen Broos

Top

Auteurstekst

Half tien 's avonds op een lenteavond

Het eerste wat James ziet als hij de hotelkamer binnenkomt, zijn de okselvijvers van zijn witte overhemd in de spiegel. Twee kartelige, doorzichtige kringen die bewijzen dat hij, ondanks al die zitpauzes op caféstoelen, trappen en kerkbankjes, doodop is van het eindeloze banjeren door de stad. Michael begreep maar niet dat hij telkens moest uitrusten, maar er is wel meer wat zijn dertienjarige zoon niet begrijpt. James kan zich nu al het onbegrip voorstellen waarmee Michael zal reageren als hij hem morgen zijn radicale beslissing opbiecht.
Na een korte aarzeling gaat hij op het bed zitten. Hij schudt zuchtend het hoofd, kijkt weer in de manshoge spiegel; het doet hem telkens opnieuw denken aan de slotscène van Raging Bull, die waarin een pafferige Robert De Niro een monoloog afsteekt tegen zijn spiegelbeeld. Altijd maar weer die spiegels, denkt James, in elke film en tv-serie, alsof alle scenaristen na al die decennia nooit verder gekomen zijn dan de letterlijke betekenis van ‘zelf-reflectie'.
Hoe vaak heeft hij zelf niet voor zo'n idiote spiegel gestaan terwijl de regisseur nerveuze wappergebaartjes maakte, de technici met angstige concentratie naar hun monitors en schermpjes tuurden alsof de apparaten elk moment de lucht in konden vliegen? Hoeveel keer heeft hij in het glas zijn eigen opgeblazen kop gezien, waar na elke take weer een denkrimpel meer in gegroefd leek? James was eenenvijftig en oud geworden voor andermans spiegel.
‘Pap?'
‘Wat is er?' vraagt hij, geschrokken van Michael die onhoorbaar de kamer in is gelopen.
‘Mag ik mam nog even bellen?'
James kijkt op zijn horloge, het is half tien. Hij denkt aan Deborah, zijn vrouw, die nu thuis in Los Angeles zit met hun acht maanden oude dochter Liliana. Ook Deborah weet nog niets van zijn beslissing.
‘Gaat het, pap?' vraagt Michael, en weer schrikt James. Hij kijkt in de ogen van zijn zoon, kan de teleurstelling al voelen.
Papa stopt met acteren. Voorgoed.
Geen films meer, geen tv-series, zelfs geen duurbetaalde cameo's waar gevallen - of gesprongen - helden zoals Marlon Brando hun pensioen mee hebben gevuld. Nooit meer de woede, wanhoop, waanzin, minachting, schaamte, al die emoties die hij als een paar schoenen had versleten voor de camera. Hij zal eindelijk vrij zijn. De gedachte alleen al lucht James opnieuw op en hij geeft zijn telefoon aan Michael, drukt hem op het hart om niet te lang te bellen.
Als zijn zoon de kamer uit stuift, bedenkt hij hoe belachelijk die opmerking was. Hij heeft miljoenen op zijn bankrekening staan, wat maakt een transcontinentaal telefoontje hem in godsnaam uit?
Terwijl hij zachtjes Michaels stem in de aangrenzende hotelkamer hoort, staat James eindelijk op van het bed. Door het raam staart hij naar de Piazza della Repubblica, de gevelrijen als uitgespreide armen die gekliefd worden door de Via Giuseppe Romita. Scooters razen roekeloos langs de Fontana dei Naiadi, enkele late toeristen zoeken naar hun bestemming op opvouwbare plattegrondjes. Hij, de wereldberoemde acteur, zou naar hen kunnen zwaaien, waarna ze dolenthousiast zouden schreeuwen: ‘Kijk, dat is Tony. Je weet wel, van die serie!' Maar James zwaait niet.
Het enige waar hij aan denkt, al dagen, zijn de toekomstige krantenkoppen. Woorden als ‘onverantwoord', ‘onbegrijpelijk', ‘net nu'. Soms overvalt hem een gniffel als hij eraan denkt, maar meestal alleen vermoeidheid. Het is klaar. Hij is het zat om te worden geregisseerd, besproken, beroddeld, bewierookt. Hij heeft er een hekel aan om Tony te zijn, want dat is hij niet. ‘Tony' is alleen maar wie ze denken dat hij is, zelfs al ging hij het op een bepaald moment ook zelf geloven. Toen had hij al moeten weten dat het genoeg was geweest. Maar hij was doorgegaan, mensen en emoties vertolkend die zijn eigen gevoelsleven degradeerden tot een reeks verkleinwoorden. Hij had wel eens een uitbarstinkje, een verdrietje, een minnaresje, nooit de grootse verscheurdheid van zijn personages. Alles wat hij voelde, had hij al eens ingestudeerd. Het enige nieuwe in zijn leven, waren zijn personages.
Maar dat alles gaat nu veranderen. Het is 19 juni en de laatste dag van zijn oude bestaan. Wat Michael en Deborah daarvan zullen zeggen, weet James niet. Hoeft hij ook nog niet te weten. Deborah zal hem hoe dan ook begrijpen, en aan de kleine Liliana zal het voorlopig allemaal voorbijgaan. De wereldwijde teleurstelling van vrienden en fans kan hem gestolen worden.
De enige die hij echt vreest, is Michael. Hij is dertien, een leeftijd waarop je weinig vergeeft. Zijn zoon zal het als verraad zien. Hij, zijn vader, geeft zijn carrière op en gaat als een Dagobert Duck achteroverleunen in de kussens van zijn miljoenen. Zijn vader wordt een werkloze. Zijn vader wordt een man van het verleden.
Hij weet dat Michael de enige is die hem kan tegenhouden.

Zuchtend verwijdert hij zich van het raam. Michaels stem klinkt nog steeds in de belendende kamer; even ontroert het hem dat zijn zoon de baard in de keel begint te krijgen.
Omdat hij het van dichterbij wil horen, sluipt hij de gang in. Michaels hotelkamerdeur staat op een kier, James luistert gespannen, vertederd. Hij hoort zijn zoon opscheppen over het Forum Romanum, de keizersbeelden, de sprookjeskoepel van Sint-Pieter die ze later die middag bezochten. Voor Michael is het allemaal nieuw.
Even moet hij de aandrang onderdrukken om naar binnen te lopen, maar het is de moeite niet, Michael zal hem dadelijk zijn telefoon terugbrengen.

In zijn hotelkamer schraapt James eindelijk het plakkerige overhemd van zijn lijf. Even zwaait hij ermee, als met een vlag tot overgave, en daarna gooit hij het op zijn bed. Zijn oksels voelen klam.
In de badkamer slaat de hitte hem zo in het gezicht dat hij even steun moet zoeken bij de wastafel. Daarna laat hij koud water lopen en kijkt in de spiegel. Zijn gezicht ziet er vermoeid uit, verkrampt haast. Al een week loopt hij met zijn besluit rond, misschien heeft hij de stress ervan onderschat. Hij zal moeten opboksen tegen een teleurgestelde wereld, zoals hij, voor hij op zijn achtendertigste eindelijk beroemd werd met die vervloekte rol, opbokste tegen een teleurstellende wereld.
De duizeling in zijn lijf wordt groter, hij steunt nu met beide handen op de wastafel. Een ogenblik denkt hij weer aan Robert De Niro, maar kan zich de naam van zijn personage niet meer herinneren. Was het John, Jack, Jake? Een Italiaanse achternaam, ja, net zoals hij. Het beeld wordt verdrongen door dat van de struinende toeristen, die niet zien hoe hij, Tony Soprano, vijf meter boven hun hoofden staat te hijgen als een aangeschoten beest in zijn eigen hotelbadkamer. De beste scène wordt hen onthouden.
Als hij zich weer opricht, trekt een scherpe pijn door zijn borstkas, hij zakt door zijn knieën, wil om Michael schreeuwen, maar het lukt hem niet meer. Of wil hij het niet meer? Hij weet het niet, vangt een flits op van zijn verkrampte gezicht in de spiegel. Even denkt hij dat ook dit een scène is, dat niemand ingrijpt, net zoals toen Tommy Cooper morsdood neerviel op het podium en het publiek alleen maar lachte. ‘Tony,' mompelt hij in zichzelf, ‘Tony'. Een blinkend floers, als van donkere kleding in het zonlicht, trekt voor zijn ogen. ‘Tony,' kreunt hij weer en grijnst. De pijn in zijn borst voelt nieuw.

Top

Bookmark and Share Terug