kalender

 

Vonne van der Meer

Biografie

Vonne van der Meer (1952) is een Nederlandse schrijfster van romans en toneelstukken. Ze  volgde een regieopleiding aan de Amsterdamse Theaterschool, waar ze zelf ook verhalen, scènes en toneelstukken schreef. In 1976 werd van der Meers monoloog De Behandeling door toneelgroep Centrum in het repertoire opgenomen. In 1978 sloot ze haar toneelopleiding af en werd ze regieassistent van Franz Marijnen bij het RO-theater. Al snel regisseerde Vonne van der Meer zelf stukken van Goethe, Osborne, Frisch en een bewerking van Plato's Symposium. Daarna regisseerde ze een kleine tien jaar bij uiteenlopende gezelschappen als Baal, Centrum, De Haagse Comedie en het RO-theater. Bij dat laatste gezelschap ging in 1996 ook haar eigen toneelstuk Weiger nooit een dans in première.

In 1985 verscheen haar eerste verhalenbundel Het limonadegevoel en andere verhalen, waarna ze ongeveer elke twee jaar een boek uitbracht. De roman Eilandgasten (1999) was van der Meers grote doorbraak. Het werd het eerste deel van een succesvolle trilogie met als gemeenschappelijk element een vakantiehuisje in Vlieland. Later volgde De avondboot (2001) en Laatste seizoen (2002). De eerste twee delen werden verfilmd door Karim Traïdia. In 2009 verscheen de roman Zondagavond, waarin het leven van drie personages onlosmakelijk met elkaar verbonden is door een gebeurtenis uit de Tweede Wereldoorlog.

Het smalle pad van de liefde (2013) is Vonne van der Meers meest recente roman. Ze neemt ons mee naar het Franse platteland, waar een Frans-Nederlands paar met kinderen hun toevlucht heeft gezocht na de tragische dood van hun zoontje. Ze raken bevriend met een ander koppel dat een dochtertje heeft, even oud als hun overleden zoon. De gezinnen brengen vanaf dan hun vakanties samen door in Frankrijk. Het smalle pad van de liefde is een eerlijke en moedige roman over twee hedendaagse families, rouw, ontrouw en religie. Het werk van Vonne van der Meer wordt uitgegeven bij Atlas Contact.

Op uitnodiging van Passa Porta, het Rits en de VUB verblijft van der Meer twee maanden in residentie in Brussel.   

Top

Auteurstekst

Keutels tussen de woorden

‘Goedemorgen, Vonne' - meer verlang ik niet. Dan kom ik de dag wel door. Misschien had ik beter moeten nadenken voor ik de uitnodiging om gastschrijver te worden in Brussel aannam. Hoe heb ik kunnen denken dat ik twee maanden zonder goedemorgen-man kan? Ik bedenk het te laat, pas als ik hem uitzwaai, een paar dagen nadat hij me naar mijn appartement op de Oude Graanmarkt heeft gereden. Hij zal terugkomen, zeker, af en toe. Maar het grootste deel van de tijd moet ik het alleen zien te rooien. Alleen zijn is een voorwaarde om te schrijven. Daarom ben ik hier: om te schrijven, en les te geven. Ik ben vaker alleen geweest in mijn leven, maar nooit zoveel weken achtereen, niet in een stad waar ik niemand ken.

Lees elke tekst die je schrijft hardop, zal ik de studenten van het Rits leren. Dan hoor je vanzelf dat sommige woorden te vaak in een alinea voorkomen. Dat is eentonig, schrap ze, of zoek een synoniem. Drie keer alleen is wel erg alleen, toch laat ik het staan. Ik weet geen ander woord dat de lading dekt, en heb geen zin om een elegante oplossing te zoeken. In deze tekst ben ik precies zo alleen als ik niet wil zijn. Er waren die eerste weken trouwens nog geen studenten in mijn leven, de workshops op het Rits zouden pas in de derde week van mijn verblijf in Brussel beginnen. Vanaf dat moment zou het leven veel lichter worden, waren er ineens een heleboel mensen die ‘Goedemorgen, Vonne,' zeiden.

Die eerste ritsloze weken moet ik een andere manier vinden om gegroet te worden, herkend, me staande te houden, overeind te blijven. Op de hoek van de Oude Graanmarkt en de Sint Katalijnestraat bevindt zich Mer du Nord. Daar schallen dagelijks namen over straat, niet van vissen maar van klanten. Het is er altijd druk, je kunt er oesters eten, mossels, inktvis, vissoep. Als ik mijn bestelling doe vraagt de Italiaan achter de toonbank mijn naam. Voor op de bon. Is het gerecht klaar dan wordt de naam van de klant omgeroepen. Willem, Luc, Charlotte... Mijn naam? Ik aarzel een seconde en zie de jongen denken: arme, weet niet meer hoe ze heet.
Wat hij niet weet is dat ik kan kiezen. Vanaf het moment dat mijn eerste verhaal werd gepubliceerd, heb ik besloten voor mijn lezers Vonne te heten. Vonne, en niet Yvonne zoals in mijn paspoort. Het sprak vanzelf, ik werd immers door iedereen die mij lief was Vonne genoemd. Ik hoopte dat mijn lezers zolang ze mij lazen geen verre vreemden zouden blijven. Daarom: Vonne.
Hier in tweetalig Brussel, aan de toog bij Mer du Nord/Noordzee, weet ik plotseling dat ik Yvonne wil heten. Yvonne is iemand anders dan Vonne. Wie zij is, zal nog moeten blijken maar de nieuwe naam lijkt me een mooi begin van mijn nieuwe leven.

Voorlopig zit ik aan Vonne vast, die nog in Amsterdam schijnt te wonen. Ik doe mijn best te wennen, te aarden, me hier thuis te voelen. Dat ik mijn bureau heb ingericht en mijn kleren in de kast gehangen, betekent nog niet dat ik hier ben. Ik koop bloemen en peren, zoek in keukenkastjes naar een vaas en een groot plat bord. Ik drapeer een omslagdoek om een stoel zodat het meer mijn stoel is. Midden in de nacht, mijn eerste nacht alleen, schrik ik wakker en weet niet waar ik ben. Laat staan waar de wc is. Of het lichtknopje. Schuifelend in het donker, op de tast, naar de gang stoot ik mijn scheenbeen tegen een harde rand. Na drie dagen zou ik toch moeten weten dat dit bed veel lager is dan ons bed thuis, en een brede houten ombouw heeft. Nee, mijn nachtlichaam weet dat nog niet. Geeft niet, ga slapen, morgen ziet het leven er heel anders uit.

Het lijkt wel alsof ik maar niet echt wakker wil worden. De volgende ochtend woon ik nog steeds in mijn halfblinde, op de tast levende nachtlichaam dat zich overal aan stoot. Het is zonnig en zacht, een mooie dag om Brussel te verkennen. Ik ga naar buiten, en verdwaal voortdurend. Als ik mijn man bel en verzucht dat er geen groot ontdekkingsreiziger aan mij verloren is gegaan, zegt hij: ‘De meeste vrouwen hebben geen gevoel voor richting. Dat hoeft ook niet, wij mannen zijn het kompas, en jullie het noorden.' Ik besluit mezelf geen geweld aan te doen, en in mijn eigen wijk te blijven, in de straten rond Mer du Nord waar ze mijn naam inmiddels kennen. De garnalenkroketjes komen mijn neus uit, maar iedere dag rond half zes klinkt het: Yvonne! En dat is ook wat waard.

Misschien was ik oorspronkelijk een zeemeermin. Thuis, op reis, waar ik ook ben, ik wil iedere dag even zwemmen. Op de dertigste verdieping van het Sheratonhotel is een zwembad, maar om daar te kunnen zwemmen moet ik lid worden van hun sportschool. Ik vul een formulier in. Wie mijn werkgever is? Lastige vraag. Ik zie de vrouw denken: arme, weet niet meer waar ze werkt. Een schrijver is zijn eigen werkgever, maar dat klinkt zo zelfgenoegzaam. Alsof ik ieder idee voor verhaal of boek louter aan mezelf te danken zou hebben. Brussel, zou ik kunnen invullen.
Op de kaart die me de volgende dag overhandigd wordt staat: Yvonne van der Steer. De vrouw achter de balie ziet de fout nog eerder dan ik. Ze verontschuldigt zich, biedt aan een nieuwe kaart te laten maken. Ik glimlach, schud van nee. Het is goed zo. Misschien is het wel beter in een vreemde stad een andere naam te hebben, een andere identiteit aan te nemen, Yvonne van der Steer te heten.
Wie weet wordt zij nog eens een personage in een novelle die zich afspeelt in de straten rond het Rogierplein, waar zij, op een novemberavond in de schemering aangesproken wordt door een man, die, begrijpt ze later pas, zich aanbood. Een gigolo, frivool woord voor zo'n wanhopig beroep. Valt Yvonne van der Steer in zijn doelgroep: boven de vijftig, en alleen? Niet armlastig zo te zien, alhoewel ze ruikt naar chloor, niet naar een duur parfum. Waarschijnlijk dringt hij daarom niet erg lang aan. Daarbij maakt ze ook geen vereenzaamde indruk, wanneer ze plukkend aan de natte pieken in haar nek door de mensenmassa over de Boulevard Anspach terugzwemt naar haar appartement. Hoe zwaar ze ook naar het zwembad gaat, ze keert altijd lichter terug. Soms gaat ze op weg naar huis - ja, zo zegt ze dat, al na een dag of tien, ‘naar huis' - de Delhaize binnen, of de bioscoop op de Brouckere om te zien welke films er draaien.
Misschien kom ik Yvonne van der Steer nog eens tegen bij een van de bedelaars op de Boulevard Adolphe Max, de mannen en vrouwen die zij op weg naar het zwembad dagelijks passeert. Zij bedelen om geld. Yvonne van der Steer bedelt om een blik van herkenning. Wie eenmaal een munt van haar heeft gekregen, begroet haar de volgende dag haast juichend.
De oude man met de stompen - hij kan niet praten of doet alsof - steunt iedere dag enthousiaster om haar aandacht te trekken. Een jongere bedelaar die wel kan praten maar ook een lepravoet heeft, zal haar de laatste keer dat ze hem een muntstuk geeft vragen of ze ‘solo' is. Bedoelt hij alleen, of alleenstaand? Voor Yvonne van der Steer heeft kunnen antwoorden, kust hij haar hand en vraagt haar ten huwelijk. Ook de zigeunerin met de dertienjarige zoon - de vrouw is de vruchtbare leeftijd ruimschoots voorbij - herkent haar al van verre. Met opgetrokken benen, in foetushouding, ligt de jongen op zijn moeders schoot. Zij kijkt gepast treurig omhoog, dag in dag uit, maar haar puberzoon valt steeds vaker uit zijn rol. Met zijn duim in zijn mond ligt hij verveeld te ginnegappen.
Een vreemde Piëta. Zal hij nog op zijn moeders schoot liggen als hij achttien, twintig is? vraagt Yvonne van der Steer zich af. Lang staat ze er niet bij stil, daar is de volgende bedelaar al, de man met het konijn, wit bruin gevlekt met een roze neus. Het beestje scharrelt rond op een stuk karton waarop in grote letters staat: een beetje geld s.v.p. voor mijn diner. Soms is de baas even weg. Dan bedelt het konijn rustig door, en liggen er keutels tussen de woorden. Yvonne van der Steer schiet in de lach. Ze geeft hem een euro, voor een bos wortels, en in de hoop dat hij haar morgen herkent.
Bedenk vanuit welk punt in de tijd je het verhaal vertelt, leer ik de studenten op het Rits. Is het een terugblik, zo ja, naar hoe lang geleden? Het klinkt zo simpel. In deze tekst lopen alle tijden door elkaar, maar het is dan ook geen verhaal. Terwijl ik dit schrijf ben ik nog in Brussel, wanneer u dit leest ben ik al vertrokken. Ik kom hier terug, zeg ik tegen iedereen die ik voor het laatst groet, dus ook tegen het konijn. Dan pas, bij een tweede verblijf, als ik niet meer zo gretig om me heen kijk, niet meer mijn best doe om van de stad te houden, zal Brussel me een verhaal geven.

Top
Passa Porta
29.09.14 > 24.11.14

Bookmark and Share Terug