kalender

 

René Huigen

Biografie

René Huigen (Alkmaar, Nederland, 1962) werd door de Nederlandse Stichting Fonds voor de Letteren voorgedragen als onze eerste Nederlandse auteur in residentie voor 2006. René Huigen publiceerde onder meer Tegen de vlakte (roman, 1997), Monument voor een verzonnen dichter (gedichten, 1999), Faustine: Een vertelling (novelle, 2000) en de dichtbundel Geen muziek en geen mysterie (2003), die werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2005 verscheen bij De Bezige Bij nog het lange gedicht STEVEN!, een merkwaardig heldendicht over een moderne Odysseus die de wereld ontdekt vanuit zijn stoel. Tijdens zijn verblijf in Vollezele werkte Huigen aan zijn historische novelle Woudman, die zich afspeelt rond 1800 tijdens de Boerenkrijg in de bossen rond Luik en Brussel.

Top

Auteurstekst

Dagje Broekzele

We reizen amper nog, maar verplaatsen ons des te meer. Van A naar B, in een rechte lijn. Het doel, niet de weg ernaartoe, is belangrijk. Doelmatigheid, of, om het populairder te zeggen, efficiency is het sleutelwoord. We zouden nog bijna moeten vrezen dat zoveel mobiliteit juist tot bewegingsloosheid zou leiden, maar nee, beter is het monter te blijven en de vooruitgang niet als een ziekte van de tijd te begrijpen. Alle mooie vergelijkingen zoals het wegennet met ons vatenstelsel en filevorming met een infarct ten spijt. Beter is het te geloven dat de vooruitgang ons in de vaart der volkeren opstuwt. Ja, dat is wat we ons het beste voor kunnen houden. Als een wortel voor een ezel.

Maar meer nog dan dat ik mij als moderne mens door die wortel verleid weet, houd ik aan mijn koppigheid vast. Ik ben niet van mijn plaats te krijgen. Ik vlieg niet graag en heb geen rijbewijs. Als ik me verplaats doe ik dat te voet, per fiets of trein. Mijn actieradius is die van iemand uit de achttiende of negentiende eeuw. Het stoomtijdperk heb ik nog net meegemaakt. Ik verdedig de romantiek van de reiziger om mijn lafheid te verbergen. Ik ben een pelgrim, niet uit overtuiging, maar uit vrees voor het onbekende. Mij krijg je het vliegtuig niet in, behalve als het echt moet en gelukkig hoeft het nooit. Voor mij geen nieuwe wereld. Of die moet in het oude Europa te vinden zijn. Zo ga ik schoorvoetend het onbestemde tegemoet, met de traagheid van een slak.

Mijn reisdoel: Vollezele, een dorp onder de rook van Brussel, in het Vlaamse Pajottenland, alwaar ik op uitnodiging van Het beschrijf een maand lang in Villa Hellebosch aan mijn historische novelle Woudman mocht werken, een verhaal dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de Boerenkrijg, die in 1798 tot bloedige schermutselingen leidde in deze contreien. Ik had me geen betere locatie kunnen wensen, vlakbij Herne, waar de opstandelingen het Kartuizerklooster bezet hadden gehouden, op steenworp afstand van Denderwindeke, waar ze zich op de vlucht voor het Franse leger hadden teruggetrokken en al even dichtbij de fortificatie van de Heeren van Henegouwen, in een van wier kastelen nu een of ander kneuterig museumpje is gevestigd.

Daar, in de driehoek Ninove, Geraardsbergen en Edingen, bevond ik mij in het hart van mijn vertelling. Wie de landkaart van België een kwartslag naar rechts zou draaien en vanuit Geraardsbergen een zwaartelijn zou neerlaten, zou bemerken dat Vollezele zich precies in het midden van de overzijde ophoudt, halverwege Ninove en Edingen, twee stadjes die door een kaarsrechte steenweg verbonden worden. Wat dat te betekenen had, wist ik niet, maar dat het iets betekende, stond voor mij vast. Ik bevond mij niet alleen wat betreft mijn onderwerp op de goede locatie, alles was, geheel conform mijn immobiele levenshouding ook nog eens zo dichtbij, dat ik de weg er naartoe had kunnen kruipen.

Ik verkende de omgeving per fiets, wat voor een Hollander die het vlakke land en alleen straffe tegenwind gewend is nog niet meevalt. Villa Hellebosch ligt op een heuvel, temidden van wat bomen, die ooit onderdeel van een bos schijnen te zijn geweest. Het is moeilijk voor te stellen dat zich hier wouden hebben uitgestrekt, als je her en der verspreid over het landschap wat schamele plukjes bebossing ziet. Als ik had willen wandelen had ik dat door de weilanden moeten doen en vaak, zo bleek, waren de schaarse wandelwegen afgepaald met bordjes waarop dreigend ‘verboden toegang' stond, ‘privé-terrein'.

Bracht mijn stalen ros me in Amsterdam en omstreken zo'n beetje overal en kon ik op een zomermiddag rustig naar de kust fietsen en weer terug, hier hield het geaccidenteerde terrein me dichter bij huis en was ik meer dan zelfs ik gewend was aan mijn stoel gekluisterd.

Het uitstapje dat ik naar Brussel zou maken om een boekpresentatie bij te wonen, was daarom een welkome afleiding.
Voor de nacht kon ik in het appartement van Passa Porta logeren. Het stond leeg. Een schrijver uit Zimbabwe, ondergedoken in het hoge noorden van Noorwegen, was door Mugabe geen visum verleend. In het bed waar eigenlijk hij had moeten slapen, zou ik me te rusten leggen en hopelijk, evenals de vele, vele andere schrijvers, die mij voor waren gegaan, alle dromen van de wereld koesteren.

De boeken lezen van schrijvers in wier bed je hebt geslapen. Literaire intimiteit of juist een schending daarvan? Het was een vraag die me voordat ik insliep bezighield en waarover ik nog eens een gedicht hoopte te schrijven, dat zich afspeelt in een hotel waar alleen schrijvers en dichters te gast zijn. Wat hoorde je als je dezelfde verwarmingsketel hoorde gonzen, of wat zag je als je dezelfde strepen op hetzelfde gelapte raam had gezien? Waaruit bestond nog het dichterlijke als elk detail van het aangezicht van de wereld tot in de kleinste finesses reeds was uitgetekend en niet meer exclusief was? Kortom: wat zouden we zien, als we in dezelfde badkamerspiegel zagen als waarin Richard Powers en Roberto Ferrucci hadden gekeken?

Waarschijnlijk hetzelfde slaperige hoofd als dat we iedere ochtend gewend zijn in de spiegel te begroeten, stelde ik ontnuchterend vast. Na de boekpresentatie in café Monk, was ik nog even wat blijven drinken met P. en zijn kornuiten en daarna laat mijn bed ingerold.

Ik was vroeg weer wakker en voelde me een beetje ijlhoofdig. De halte voor de bus terug naar Vollezele was gelukkig in dezelfde straat als mijn logeeradres. Half tien 's ochtends stapte ik in en had in mijn beste Frans voorbereid om een kaartje naar Ninove te kopen. Nog voordat ik iets kon zeggen, groette de buschauffeur mij in het Vlaams en vroeg hij mij waar de reis naar toeging. Verbazing! Kon hij aan mijn fysionomie zien dat ik een Vlaming of een Nederlander was, en zo ja, wat was het dan precies aan mijn uiterlijk dat mij tot een Vlaming of een Hollander maakte en niet tot een Franssprekende Belg, of van mijn part een Amerikaan? Kon men hier aan iemands gezicht zien welke taal hij sprak. Waren het zijn kleren, was het zijn houding? Wat zag hij wat ik niet zag? Ik vroeg het later aan P., maar hij zei het niet te weten. Eerder had ik het voorkomen van een Spaanse Brabander, vonden ook de anderen die ik naderhand het verhaal vertelde.

Eenmaal aangekomen in Ninove bleken er tot mijn ontsteltenis geen bussen meer verder te rijden. Het was zaterdag, weekeinde. Ik probeerde een taxi te vinden, maar die waren er niet, en waar geen taxi's zijn, daar vermoedt de nietsvermoedende reiziger zeker geen treinstation. Tot overmaat van ramp had ik, weinig mobiel als ik ben, ook nog eens geen mobiele telefoon bij me om iemand te bellen. Kortom: ik was op acht kilometer afstand van mijn verblijfplaats gestrand. Ik besloot te liften langs de steenweg richting Denderwindeke, maar geen van de automobilisten vertrouwde de enigszins verwilderde Spaanse Brabander, die ze in de berm langs de kant van de weg zagen staan.

Inmiddels was het een paar uur later en had ik in het stadje een verkoopster van een auto-onderdelenwinkel bereid gevonden om mij van haar te telefoon gebruik te laten maken. Maar wel snel, want het was bijna twaalf uur, tijd voor haar lunchpauze. Gelukkig had ik op een frommelig papiertje het telefoonnummer van P. bij me.

‘Stuck inside of Mobile with the Memphis blues again,' zong ik hem nogal overdreven een regel uit een song van Bob Dylan toe, alsof de naar het schijnt, spuuglelijke petrochemische industriestad Mobile in Alabama ook maar in de verste verte iets met het pittoreske Ninove te maken zou hebben. Maar toch ... zo voelde het wel. Dat ik het einde van de wereld had bereikt.

P. adviseerde me de trein naar Edingen te nemen, om van daaruit, zogezegd precies vanuit de andere hoek van eerder door mij genoemde driehoek, verder met een taxi naar Vollezele te gaan. Waarom had niemand in Ninove bij wie ik op straat om hulp had gevraagd mij dit eerder verteld?! Dat ik ook zo op plaats van bestemming had kunnen komen? Reikten hun gedachten soms niet voorbij de denkbeeldige grens die ik die dag twee keer zou gaan passeren?

In de stationsrestauratie, die ik me door de winkelbediende had laten wijzen, stond een niet onaantrekkelijke dame biertjes te serveren aan volkse types, die gekleed gingen in werkmanskleren en het kennelijk gewend waren om drinkend hun lunchpauze door te brengen. Zo nu en dan ging ze kijken bij een man, die een gokmachine bediende en die ik in een donker steegje liever uit mijn buurt zou houden, maar in wie zij een dusdanige interesse stelde, dat ze dicht tegen hem aan ging staan. Ik aanschouwde het tafereel met enige voorzichtigheid, bedacht op het moment dat die gast mijn kant op zou kijken - want dat doen ze, als ze een mooie vrouw aan hun zijde weten, de omgeving afspeuren of er geen kapers op de kust zijn. Zo'n vrouw van een dergelijke rovershoofdman wakkert de drang om haar te bezitten dan het liefst nog wat aan door haar blik op andere mannen te laten vallen. Van weinig mensenkennis zou het getuigen om zich door zulk een lonken gevleid te voelen, maar voor wie, zoals ik, lang wachten moest, kon het, om de tijd mee door te brengen, een niet onaardig spel zijn.

De trein vertok half een richting Geraardsbergen. Ik was nu drie uur onderweg. In Geraardsbergen stapte ik na opnieuw een behoorlijke tijd gewacht te hebben op een boemeltje naar Edingen.

Ik heb vanuit het treinraam veel knotwilgen gezien, herinner ik mij vreemd genoeg, als ik aan deze merkwaardige reis terugdenk, en twee bomen, ik weet niet van welke soort, die pal naast elkaar stonden en als een reusachtig stel longen in de verte op een heuvelrug prijkten. Achteraf is het makkelijk om in die boom een symbool te zien en te zeggen dat alles hier, onder en boven de taalgrens, in die door mij bereisde driehoek, een verdeeldheid uitademde. Voor de symmetrie van mijn verhaal zou dat een mooi gegeven zijn, maar in werkelijkheid was niets wat het gebruik van een dergelijke achter mijn bureau bedachte symmetrie rechtvaardigde. Hoogstens was er enige verbazing toen ik uit het station stapte en bemerkte dat iedereen opeens Frans sprak. Twee jongetjes, hangend bij een derde jongen op een scooter lummelden voor de uitgang. Op een bord aan de overkant van een pleintje las ik de voor mij bevrijdende woorden: Taxi Roller, met daaronder een telefoonnummer. Een van de jongens was zo vriendelijk om voor mij een taxi te bellen, ikzelf kon niet meer uit mijn woorden komen en daarbij was Frans nooit mijn favoriete taal geweest. Ik probeerde het nog wel om de chauffeur uit te leggen waar ik logeerde, maar gebarentaal wees ons de weg. Voort gingen we over de kaarsrechte weg tussen Edingen en Ninove, als over een rechte lijn die in de politiek tussen tegenover elkaar staande partijen zo vaak getrokken wordt. In de taxi zelf was van geen enkele rechtlijnigheid sprake. Ons gesprek dartelde als met de onzekere tred van een veulentje een groene, nog onbenoemde wereld tegemoet.

Om half drie bevond ik mij weer in mijn werkkamer in Villa Hellebosch en zette ik mij monter aan het schrijven. Hartje Europa was ik vijf uur onderweg geweest om van Broekzele, de oude naam van het huidige Brussel, naar Vollezele een afstand van hemelsbreed ongeveer 25 kilometer af te leggen. Ik had de afstand in dezelfde tijd ook kunnen lopen, en twee eeuwen geleden, zou ik dat bij gebrek aan transport ook zeker hebben gedaan. Maar soms is het een zegen te mogen ervaren dat ook in deze moderne tijden vooruitgang relatief kan zijn.

René HUIGEN, mei 2006

Top
Villa Hellebosch
3.04.06 > 1.05.06

Bookmark and Share Terug