kalender

 

K. Schippers

Biografie

K. Schippers (Amsterdam, 1936) is schrijver, dichter, essayist en kunstcriticus. Hij heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan, dat bestaat uit romans, poëzie, essays, verhalen & beschouwingen, en een enkel kinderboek. Al vroeg werd hij bekend door het literaire tijdschrift Barbarber, dat hij in 1958 samen met J. Bernlef en G. Brands oprichtte. Hij introduceerde de readymade als poëzievorm. Van het cultureel tijdschrift Hollands Diep, dat van 1975 tot 1977 bestond, was hij een van de oprichters en eerste redacteuren.
Zijn werk is uitgebreid gelauwerd. Voor zijn poëzie ontving hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. Een jaar later kreeg hij de Pierre Bayle-Prijs voor zijn kunstkritieken. Zijn roman Poeder en wind (1996) werd genomineerd voor de Generale Bank Literatuurprijs; de roman Waar was je nou (2005) werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs en groeide uit tot een bestseller.
Zijn recentste titel, De bruid van Marcel Duchamp, werd lovend ontvangen.

Op uitnodiging van Passa Porta, het Rits en de VUB verblijft K. Schippers twee maanden in residentie in Brussel.   

 

Top

Auteurstekst

Langspeelplaten

In Brussel gebeurt het zomaar, zonder dat je erop verdacht bent. Je komt uit het Centraal Station, slaat een paar hoeken om en je denkt al aan de mosselen die je op een straathoek zal gaan eten. Een man in de stad, tot zover is alles min of meer gewoon.
Plotseling loop je dan langs een etalage met ‘Pioneers of US Comics' en even later zie je ze binnen in het echt. Dit is niet eens het grote stripmuseum, maar La maison de la bande dessinée.
Hele in kleur opgemaakte krantenpagina's met Little Nemo in Slumberland van Winsor McCay, uit het begin van de vorige eeuw. Die zie je anders nergens. Even verder hangt Rip Kirby aan de muur, de detective van Alex Raymond, op een wat kleiner formaat, vlak naast Blondie, ze doet de afwas.
Daar heb je Sjors van de Rebellenclub maar dan onder z'n Amerikaanse naam Perry, het broertje van Winnie Winkle the Breadwinner, zoals de strip van Branner over een wufte jongedame, de grote zus van Perry, eerst heet.
George Herriman, de vader van Krazy Kat, ontbreekt hier niet. Samen met de muis Ignatz en de hond Offisa Pupp staat Krazy voor een muur met een grote letter B. erop.
‘Is there anything but B. there, offisa Pupp?' vraagt Krazy en hij wijst naar de muur.
‘No just a B,' zegt de politieman. Zo komt de a toch nog voor de B, al zie je hem niet op de muur.

Ik woon ruim twee weken in de stad. Tot nu toe is het uitzicht op het plein het mooist, vanuit m'n langwerpige flat op de tweede verdieping. 's Morgens vroeg wemelt het er van de kinderen, tussen zes en zestien, sommige met een bijna te grote rugzak. Je ziet ze scheef van boven, in een hoek van 45 graden, dit perspectief heb ik op de stadsfoto's van de Hongaar Moholy-Nagy leren kennen.
In groepjes van twee, drie gaan ze een straat in met alleen maar scholen. Ze lopen zo prettig slordig, niets hoort bij iets anders en toch ook weer wel, als een kind een groep verlaat en zich al dan niet rennend bij een paar anderen aansluit.
Ik heb me losgemaakt van de stripwinkel en loop een eind verderop in de rue de la Bourse, de Beursstraat. Vlak naast Le Cirio, een van de oudste cafés van de stad, is de platenzaak The Collector. In de etalage tegenover de beurs zie je alleen langspeelplaten, 33 toeren, ‘dat u die nog heeft,' zeg ik tegen de eigenaar, 'of zijn ze weer in de mode?'
‘Bij mij zijn ze nooit weg geweest,' zegt de man geërgerd, ‘en ik sta hier toch al dertig jaar.'
Nederlands, goed gegokt, geen Frans. Binnen heeft iemand de mooiste jazzmuziek voor je opgedolven, zo voelt het, een goudader met solo's van Monk en vergeten nummers van Billie Holiday.
Het is een heel gedoe met een koptelefoon aan een luisterbar. Op één concert hoor ik hier wel totaal verschillende klanken. De klarinet van Pee Wee Russell en de trompet van Henry Red Allen, oktober 1966, College Concert in Cambridge, Massachusetts. Eerst Pee Wee's burleske bopmuziek met veel slimme stiltes en dan het New Orleans van Allen, met een extra scheut swing erin.
Beneden in de kelder vind ik een lp met de muziek uit Young Man with a Horn, het levensverhaal van de trompettist Bix Beiderbecke. Kirk Douglas speelt Bix, Hoagy Carmichael is z'n pianospelende maat. Doris Day zingt met die hese stem ‘I May Be Wrong', ‘With a Song in My Heart' en ‘Too Marvelous for Words'.
Ik koop de twee platen en krijg het met de baas nog even over het verschil tussen de cd en de lp, klinkt de laatste beter, dieper of niet?
‘Als je het wilt, dan hoor je het,' is zijn diplomatieke antwoord.
Bij het laatste loopje langs de bakken vind ik Billy Eckstine, de zanger van wie ik samen met Gerard altijd erg heb genoten, vooral in de duetten met Sarah Vaughan.
Z'n bronzen stemgeluid, dat moet ik horen, wacht, het is z'n orkest uit '46, vast met Charlie Parker en Dizzy Gillespie. Ik luister, kijk vlug op de hoes. Veel onbekende namen, Eckstine zingt, duivelse trompetten, ladylike saxofoons.
Entertainment, aangelengd met avant-garde, eerste melange. Eckstine wist hoe je de nieuwlichters aan een met hun idealen verwant baantje kon helpen.
Eckstine, Pee Wee Russell, Doris Day, als een rijk man steek ik de boulevard Anspach over, genoemd naar een burgemeester uit de negentiende eeuw. Op de hoek van de Oude Graanmarkt en de Sint-Katelijnestraat laaf ik me buiten aan de witte wijn en de mosselen, in de zon, bij een restaurant dat alleen maar Noordzee kan heten.
Dan loop ik naar mijn flat, drie minuten van dit sta-terras. In Brussel probeer ik een bundel met verhalen samen te stellen, de meeste zijn al af. De goede volgorde moet ik nog ontdekken.
Na het meisje dat is verhuisd en het wonder van Barcelona een andere verliefdheid?

Het huis in de tuin had een rieten dak, het golfde omlaag, je zou er met je hand overheen willen strijken. In de gang, in de hal moest je hier zeggen, zou met gemak een speelgoedtrein kunnen rijden, het liefst Märklin, die was net echt.

En even verder:

Je hoopte dat ze in de buurt was, dat een stem, stommelvoeten, een schim aan het eind van de gang, dat 't bij haar hoorde, dat ze nu zo voorbij kon komen zonder dat ze wist dat jij daar stond.

Iets te vroeg misschien. Of hier al het model van Balthus, heb haar kortgeleden ontmoet in de Morvan, een bergachtige streek in de Bourgogne.

Even later staan we in de kamer waar Balthus haar als zestienjarige in 1955 heeft geschilderd. Je ziet haar op de rug, ze kijkt over haar schouder naar buiten, voor de openstaande ramen... één been opgetrokken, het rust op een stoel.

Ik leg de map weg en ga theezetten op een elektrisch fornuis, vergeet bijna het uit te doen. Gerard en ik hoorden op een 78 toerenplaat, met zo'n felgeel etiket van Metro Goldwyn Mayer, voor het eerst Billy Eckstine.
We luisterden bij een wat oudere neef van Gerard, die door ons platenneef werd genoemd. Op een grote grammofoon zong Eckstine ‘Everything I Have Is Yours' en ‘Time on My Hands'. Amerika, het beloofde land, daar ging het over. Hij had ons bevrijd, Eckstine zong over de bevrijding, zo klonk het, en die hadden we in Amsterdam-West meegemaakt.
In de nabijheid van Gerard wordt elke omgeving licht bespottelijk, dat vermogen heeft hij, nog steeds, zo ook die te grote grammofoon bij z'n neef, hoe mooi de muziek ook was.
Bijna dertig jaar later zoeken we Eckstine op in het Hilton Hotel in Amsterdam. Gerard wil hem als G. Brands interviewen voor zijn rubriek ‘Vaudeville' in Hollands Diep en ik mag mee.
De zanger draagt een hemelsblauwe coltrui en om zijn hals zit een ketting met een ding dat ik nog nooit als sieraad heb gezien. Het is een scheermesje van Gillette en het ziet er scherp uit.
G. Brands zal later schrijven dat hij werd verrast ‘door de donkere heer, aan wie volstrekt niet valt af te zien dat hij de zestig gepasseerd is'.
Een groot deel van het gesprek gaat over het orkest van vlak na de oorlog. Eckstine probeert dan iets te spelen, waarnaar moet worden geluisterd. Het is niet alleen meer om op te dansen.
Kunt u iets meer zeggen over de muziek die toen gecreëerd werd, ook in vocaal opzicht?
‘Men was tot die tijd gewend een instrument te bespelen volgens een vaststaand patroon of met een bepaalde toon die jarenlang hetzelfde was geweest. In mijn orkest begonnen we een ander gebruik van de akkoorden te maken. Verminderde kwinten, overmatige nonen, grote septiemen en dat soort dingen.'
Eckstine vertelt dat Sarah Vaughan en hij op de basistonen van de muziek improviseerden - om de akkoorden te veranderen en de melodie een beetje anders te laten klinken dan op de beproefde manier mogelijk was.
‘Men zegt wel eens dat muziekinstrumenten de menselijke stem proberen te imiteren. Hoe perfecter ze worden, hoe dichter ze die stem zouden naderen. In dat licht bezien draaiden we de zaak om en besloten de stem als instrument te gebruiken.'
Eckstine zegt dat hij bij het orkest van de pianist Earl Hines is begonnen. Van hem heeft hij veel geleerd. ‘Als je muzikaal iets nieuws wilde, zei hij: ga je gang. Hij begreep wat we probeerden te doen en gaf me gewoon carte blanche.'

Die middag speelt een jonge pianist in L'Archiduc, bij mij om de hoek in de Dansaertstraat. Het café bestaat deze herfst vijfenzeventig jaar. Miles Davis speelde er, de pianisten Nat King Cole, René Urtreger en Bill Evans, de gitarist René Thomas, de saxofonist Bobby Jaspar. De niet zo grote gelegenheid heeft een art-deco-interieur. Er wordt gezegd dat het in het begin een bordeel was.
De pianist probeert van alles, hij haalt het, soms mislukt het grandioos, ‘het geweldige van muziek is dat er steeds weer nieuwe wegen mogelijk zijn. Het is een voortdurende studie.'
Dat zei Eckstine tegen G. Brands en je hoort het hier. Muziek verlangt soms hevig naar een gezicht. Daar zit Anna Luyten met haar dochter zeker, van een jaar of dertien, in een hoek van het volle café. Anna heb ik eerder op een avond bij de boekhandel Passa Porta ontmoet.
Ze vertelde me toen dat ze vorig jaar in Oostende Henk Bernlef heeft geïnterviewd. Hij schreef een in memoriam, over zichzelf, alsof hij er al niet meer is. Dat las hij voor. Daarna had ze met hem een openbaar gesprek over herinneren gevoerd.
We gingen er die avond in Passa Porta niet op door. Het in memoriam kende ik. Dit voorjaar kwam het in z'n bundel Help me herinneren. ‘Het is mij vreemd te moede nu ik de beste vriend van mijn leven kwijt ben geraakt', zo begint Henk het stuk over zichzelf.
Het is pauze, ik wenk Anna Luyten. Ze komen bij ons zitten. We krijgen het over haar journalistieke werk, de spannende buurt bij de Stalingradlaan, waar ze woont, en de andere geheimen van de stad, ‘blijf toch in Brussel.'
Anna moet de volgende dag naar Marokko. Haar dochter heeft drumles. Ze vertelt vurig over de indrukken die ze in L‘Archiduc heeft opgedaan.
Dan krijgen we het over andere geluiden. Haar vader is gevangenisdirecteur. Iemand zei iets over de blikkerige klank van het bestek, net voor het nieuwjaar wordt en de gevangenen van zich laten horen.

 

Top
Passa Porta
24.09.12 > 19.11.12

Bookmark and Share Terug