kalender

 

Peter Middendorp

Biografie

Peter Middendorp (1971) werd door het Nederlandse Fonds voor de Letteren voorgesteld als onze tweede Nederlandse resident van 2006. In 2002 debuteerde hij bij De Bezige Bij met de roman Noordeloos, in 2005 gevolgd door Amateur, "een vrolijke en spannende roman over conformisme en keuzes maken, over de toeren die de niet-assertieve mens moet uithalen om toch nog iets op de wereld te veroveren." Naast proza schrijft Middendorp ook reportages voor o.a. HP/De Tijd en Volkskrant magazine. In de schrijversflat van Passa Porta werkte hij vier weken lang aan zijn volgende boek, een road novel die zich afspeelt tussen Amsterdam en Toscane, met een belangrijke tussenstop in Brussel.

Top

Auteurstekst

Hoe sta jij tegenover zuivel?

Jean-Marie was een kwartjoodse, biseksuele, marxistisch-leninistisch geïnspireerde vertaler van Franse poëzie en schrijver van proza waarin veel met vormen werd geëxperimenteerd, maar dat vond ik helemaal niet erg.
We zaten aan de bar van de Walvis - een hip café, volgens de berichten, met oude stoelen en tafels, en een plafond als een golfplatendak met opvallend grote golven. Het terras gaf uit op het kanaal dat het centrum van Brussel scheidde van de wijk Molenbeek, de rode bar op een energieke serveerster in een lage heupbroek. Op de bar, op de middenpagina's van De Morgen, keek de voorman van dEUS vanaf een donkere foto met een intense, onheilszwangere blik naar ons op - Tom Barman waarschuwde voor de allerlaatste keer.
Jean-Marie zei: ‘In de roman waaraan ik nu bezig ben, verloopt de introductie van de personages toch net even wat anders dan je misschien gewend bent.' Er bestonden schrijvers die onzeker waren over zichzelf en de wereld - vooral als ze over hun eigen werk moesten praten, kregen ze het warm, maar achter de bril van Jean-Marie glom het van tevredenheid. ‘Er is sprake van cumulatie,' zei hij. ‘De wereld in de romanwerkelijkheid is onderhevig aan expansie.' Hij hield even stil en keek naar de groeiende ruimte tussen zijn handen. Daarna zei hij: ‘Net als in de echte wereld.'
Onderweg naar deze afspraak had ik een tafereel gezien van het soort dat ik de voorbije weken al vaker was tegengekomen. Er was iets met het verkeer en opgelopen spanningen. Een Noord-Afrikaanse jongen sprong uit zijn auto om een bejaarde hoteleigenaar met zwaaiende armen en benen te bedreigen. Deze kreeg al snel hulp van enkele agressieve leeftijdgenoten, die voor de gelegenheid uit de lobby waren gerend. Een paar minuten leek het alsof er rake klappen zouden worden uitgedeeld, maar uiteindelijk liep alles met een sisser af - de senioren waren zodanig in de meerderheid dat de jongen in zijn auto vluchtte en de straat uitreed.
Misschien kwam het doordat serveersters hard werkten en vrolijk bleven kijken, misschien was het wel zo erg met mij gesteld dat ik een zwak had voor gedienstigheid; je wist het niet, maar de serveerster was een archetype uit mijn fantasieën - voorafgaand aan mijn vertrek had ik mij vaak genoeg een gelegenheidsromance met precies zo'n meisje voorgesteld. Intussen zat ik alweer een week of drie in Brussel, had ik al vele avonden aan bars als deze gehangen en was de werkelijkheid weer eens hopeloos weerbarstig gebleken. Ik wist ook niet waarom de fantasieën hier nooit eens iets van leerden, want handiger met de vrouwen werd ik er in de loop der jaren helemaal niet op. Nog maar kort geleden had ik mezelf, in een poging een stilgevallen gesprek te heropenen, aan een meisje horen vragen: ‘Hoe sta jij eigenlijk tegenover zuivel?'
Ik wilde twee speciale biertjes bestellen, en meteen ook iets aardigs zeggen, maar ik moest zulke dingen helemaal niet doen; ook nu strandde een Franse volzin in gestamel. Toch keek het meisje mij even aan, gecharmeerd leek het wel, en begon ze verschillende flesjes speciaal bier op te houden tot degene voorbij kwam die ik bedoelde en ik driftig ‘ja' kon knikken. Misschien, dacht ik later, was dat het wel dat serveersters onweerstaanbaar maakte: ze lachten naar je als er iets mislukte.
‘Eén, twee,' zei Jean-Marie. Om het ritme aan te geven waarmee de personages in zijn nieuwe boek werden geïntroduceerd, tikte hij met zijn vingers op de bar. ‘Eén, twee. Eén, twee, drie. Eén, twee, drie vier. Eén, twee, drie, vier, vijf.'
De serveerster zette intussen twee flesjes Chimay voor ons neer, de donkere variant, vlak naast de foto van Tom Barman. Ik stuurde mijn meest dankbare blik terug; want er was veel voetbal op de televisie geweest de laatste weken, en daarvan kon je leren dat hardnekkigheid soms werd beloond; vaak genoeg werden er in de laatste minuten nog doelpunten gemaakt.
Ik nam een slok en dacht: met Tom Barman is iets merkwaardigs aan de hand. Als je tegen je vrienden zei dat je naar een concert van dEUS was geweest, hingen ze aan je lippen. Maar als je een cd-tje van ze opzette, vroegen ze of het wat zachter kon. En dan was er ook nog iets met de jaren tachtig, zo'n decennium dat wanhopig kon blijven kleven aan hen die erin waren opgegroeid. Pilotenbrillen, wetgel, sigaretjes, de Apocalyps in de ogen en de voeten onbesokt in leren mocassins - het was allemaal veel erger dan de mensen wel eens dachten.
Ik wees naar de foto en vroeg aan Jean-Marie of hij ook zag wat ik zag. Maar hij wuifde beleefd, zei een paar keer ‘ach, ach', en begon toen weer over zijn prozaproject na te denken - over Tom Barman ging deze schrijver geen drukte maken.
Op zich was dit een houding waar ik iets van kon leren. Nog maar een paar uur geleden hadden wij elkaar op afspraak getroffen op het terras van een restaurant. We kozen voor ‘lammetje in de pan', een gerecht dat onschuldig klonk, maar even later als met wild vlees omwikkelde beenderen op onze borden werd getild. Terwijl wij de vuisten naast onze borden plantten, het bestek er rechtop in, en strijdlustig begonnen te kijken van welke kant de vleeshompen zich het beste lieten overmeesteren, kwamen er, zoals eigenlijk de hele tijd, claxonnerende auto's voorbij gereden. Ook gleed op zo'n tien meter afstand van ons een haveloze alcoholist van een bankje op de kinderkopjes van de Oude Graanmarkt.
‘Wat een lawaai, hè,' zei ik doorlopend tijdens het eten, ‘wat een herrie hè. Misschien denken de Brusselaars dat ze in een Mediterrane mierenhoop wonen ofzo, zoveel geluid als deze stad weet te produceren.'
‘Waar schrijf jij over?' vroeg hij. ‘Wat voor soort boeken schrijf jij eigenlijk?' ‘Wat minder experimenteel dan jij, vrees ik,' zei ik, met een wat overdreven, gepijnigd gezicht en één hand tegen mijn oor. En, toen opnieuw een toeterende wagen voorbij was gereden: ‘Persoonlijker ook dan jij, denk ik. Het is niet zo dat ik zo graag mijn leven naschrijf, maar ik heb wel een voorkeur voor dingen die niet helemaal goed gaan.'
Toen we zoveel vlees hadden gegeten dat we de resten met goed fatsoen met onze servetten konden bedekken ten teken dat we waren uitgegeten, stelde ik voor om elders koffie te gaan drinken. Ik had geen zin meer om toe te kijken hoe de zwerver van zijn bankje viel, er vijf minuten over deed om overeind te komen, vijf minuten om zich weer op het bankje te vleien en even lang om opnieuw op straat terecht te komen. En ik wilde ons even verlossen van het verkeer.
Jean-Marie wist niet goed waar ik het over had. Hij woonde al zijn hele leven in Brussel en had nog nooit iets gemerkt van de agressie op straat, de opgefoktheid van verkeer en bewoners, de overproductie van lawaai. Over het verhaal dat de vorige Nederlandse resident over zijn verblijf had geschreven, en waarin een vechtpartij en een steekpartij voorkwam, had Jean-Marie zich ook al zo verbaasd. ‘Zelf zie ik dat allemaal niet,' zei hij. ‘Ik hoop maar niet dat mensen nu gaan denken dat het hier niet veilig is.'
Even later wandelden we de Dansaertstraat af. In café Walvis kwam de Brusselse ‘scène', een hoeveelheid lokale kunstenaars waarvan Jean-Marie misschien ook wel deel uitmaakte, zijn biertjes drinken, zei hij, al liet deze maandagavond tegen tienen daarvan geen enkel lid zich zien. Een stelletje zat aan een tafel. Een boze vrouw stond bij de sigarettenautomaat. Twee sportschooljongens stonden bij de deur. En Tom Barman lag op de bar.
‘Met vertelperspectieven kun je veel meer doen dan mensen denken,' zei Jean-Marie toen we aan een nieuw biertje toe waren. ‘Alles is mogelijk, terwijl bijna niemand daar gebruik van lijkt te maken.'
‘Ja,' zei ik en keek opzij. De boze vrouw was vlak naast me komen staan. Ze keek nog iets bozer dan ze bij de sigarettenautomaat had gedaan.
Jean-Marie schudde zijn hoofd. Niet uit verveling of meewarigheid. Het was meer alsof hij de klassiekers inwendig de revue liet passeren voordat hij tot de conclusie kwam dat hij, wat het perspectief in zijn proza betrof, wel voor het avontuur móest kiezen. ‘Ik, hij, zij,' sprak hij langzaam. ‘Ik, hij, zij.'
Naast me nam de boze vrouw een glas op en wierp dat met kracht naar mijn serveerster. Nog net op tijd kon ze wegspringen, maar het glas landde met groot kabaal tussen de flessen en glazen, die tegen de achterwand stonden opgesteld. De scherven vlogen alle kanten uit; zelfs Tom Barman zat eronder. Hier en daar klonken kreten van ontzetting. De serveerster vluchtte de keuken in, een van de sportschooljongens wierp zich op om de bozerik naar buiten te duwen, waar ze met enthousiasme het terras begon af te breken. Ik keek naar opzij, met grote ogen. Jean-Marie zei: ‘Ik heb een enorme fascinatie voor het woord ‘wij'.'

Peter MIDDENDORP, juni 2007

Top
Passa Porta
5.06.06 > 4.07.06

Bookmark and Share Terug