kalender

 

Miriam Van hee

Biografie

Miriam Van hee (1952) debuteerde in 1978 met dichtbundel Het karige maal waarvoor ze de Oost-Vlaamse prijs voor Letterkunde ontving. Binnenkamers en andere gedichten (1980) verscheen, net zoals haar debuut, bij het Masereelfonds.  Vanaf haar derde bundel Ingesneeuwd (1984) vond ze onderdak bij De Bezige Bij. Het daaropvolgende Winterhard (1988) werd bekroond met de Jan Campertprijs, Reisgeld (1992) met de Dirk Martensprijs van de stad Aalst.

Miriam Van hee was de eerste vrouw die in 1998 de Driejaarlijkse Cultuurprijs voor Poëzie van de Vlaamse Gemeenschap kreeg. Het was een bekroning voor de bundel Achter de bergen (1996).De jury oordeelde dat "haar werk uitmunt door eenvoud en suggestieve kracht" en loofde haar "doordachte manier waarop zij alledaagse ervaringen in uitgepuurde verzen op een hoger niveau tilt". Datzelfde jaar werden haar gedichten samengebracht in  Het verband tussen de dagen: gedichten 1978-1996. Een ruime selectie hieruit werd vertaald naar het Frans. Van hee werd in Magazine Littéraire de ‘poëtische ontdekking van de laatste jaren' genoemd. De voorbije jaren verschenen De bramenpluk ( 2002), en Buitenland (2007). Haar meest recente dichtbundel Ook daar valt het licht (2013) werd genomineerd voor de vsb-poëzieprijs. Op de haar kenmerkende trefzekere en peinzende toon behandelt de dichteres in deze nieuwe bundel de oude thema's reizen, familie, de natuur, het land en de stad.

Vertalingen van haar werk verschenen in boekvorm in het Pools (vertaler Jerzy Koch), het Zweeds, het Litouws (vertaler Antanas Gailius), het Frans (vertaald door Etienne Reunis en door Philippe Noble), en het Duits (vertaald door Gregor Seferens bij Korrespondenzen Verlag). In 2007 verscheen een bloemlezing in Mexico in een vertaling van Marco Antonio Campos en een Engelse vertaling van haar werk  van de hand van Judith Wilkinson bij Shoestring Press. Als slaviste is Van hee voltijds docente aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken te Antwerpen. Zij vertaalde poëzie van o.a. Anna Achmatova, Osip Mandelstam en Josif Brodski.


Top

Auteurstekst

Brief aan Michal Witkowski

 

Beste Michal,

Als ik aankom op het vliegveld van Krakau, is het al donker. Dat zal me de volgende dagen blijven verwonderen, dat de nacht hier vroeg valt, tegen half vijf is het volslagen duister. Ik logeer hier de hele maand november, niet in de mooie renaissance villa Decius, maar in het gebouw dat in vroeger tijden voor het huispersoneel was bestemd. Niettemin een mooi gerestaureerde kamer waarvan de ramen op het park uitgeven. Wat opvalt is de stilte. Verder het romantische uitzicht. Overal hoge bomen met hun verkleurde gebladerte, kastanjes, beuken, esdoorns. Het park wordt bewoond door roeken. Je ziet ze overal in de afgevallen bladeren scharrelen en ze halen er donkere ronde vruchten vanonder. Het lijken noten, maar er staan geen notelaars. Deze omgeving doet dienst als decor voor trouwpartijen. Op een dag lag er bij mijn thuiskomst een bruid op het grasperkje voor de ingang, haar hoofd in een onnatuurlijke houding achterwaarts naar de camera gedraaid. Haar rug was ontbloot. Na de fotosessie zie ik dat de bruidegom op krukken loopt. Een andere keer spelen vijf jongens (ik schat ze zo'n jaar of tien) urenlang in de afgevallen bladeren, ze gooien ze op een hoop en verstoppen zich er in, ik hoor in mijn kamer hun gejoel.

Jerzy Koch, de man (professor Nederlands en Afrikaans in Poznan) die mijn gedichten in het Pools vertaalt, zegt me, wacht maar, als het één dag stevig waait of vriest, zijn al de bladeren in één keer weg. Hij raadt me aan de begraafplaatsen te bezoeken bij schemering, daar branden nu overal gele en rode lantarentjes en het staat er vol bloemen. En ja, dat is wel een verschil met ons land, het katholicisme, de devotie van de Polen gaat diep, ze knielen langdurig neer voor het altaar of voor afbeeldingen van de Moeder Gods ze raken beelden aan met hun handen. Er zijn veel jonge mensen onder de kerkgangers, en van kinderen wordt in de kerk heel wat getolereerd,  zo zie ik een jonge moeder haar kinderen uit de biechtstoel sleuren, waar ze met de gordijnen aan het spelen waren en op den duur met elkaar slaags geraakten, het baat echter niet en de vader wordt bruusk uit zijn gebed losgerukt: hij moet zijn gezag laten gelden.

En je kunt er niet naast kijken, overal standbeelden van Paus Johannes Paulus II, die hier op de universiteit zijn studentenjaren doorbracht. De jonge Duitse vertaalster, die de kamer naast mij bewoont, vertelt dat ze al drie jaar in Polen woont en zich er thuis voelt. Ze vindt de Poolse jongeren wel wat ouderwets, er lijkt geen ruimte voor een ondergronds, progressief leven. Studenten willen hun studie afmaken, een baan vinden, trouwen en dan een huis kopen (is dat bij ons in deze tijd anders, vraag ik me af). Een kwestie als abortus bijvoorbeeld ligt hier heel moeilijk, zegt ze.

Op het slotfeest van het Conradfestival, waarop ik uitgenodigd ben, praat ik met de adjunct-directeur van het Institut français in Krakau, behalve over het op dit moment nog steeds ongeregeerde België, over de rijke Poolse literatuur van dit ogenblik. Voorts verneem ik van hem dat Michel Houellebecq, die, naast David Grossman eregast op het festival is, de Polen hetzelfde gelapt heeft als eerder de Belgen, hij is niet komen opdagen. 

Ik word getroffen door de realiteit van de globalisering. Er is een tram die van de ene Carrefour naar de andere rijdt. De Fransen lijken het hier goed voor mekaar te krijgen, ook Auchan is hier vertegenwoordigd en in de voorstad zijn er vestigingen van Citroën en Peugeot. En zie ik daar niet Juliette Binoche op reuzenpanelen reclame maken voor het Crédit Agricole?

Vandaag ben ik in de helft van mijn verblijf, het is zondag en ijzig koud. Er is geen beweging in het park, als ik op de bus wacht zie ik alleen af en toe iemand een winkel binnenstappen waarop Alkohole staat, die winkels zijn elke dag open, ook op 1 en 11 november, als verder alleen de kerken open zijn. Eergisteren, op de tram naar Nowa Huta (de arbeiderswijk die begin jaren 50 aan Krakau werd ‘toegevoegd'), zag ik een jongeman met moeite naar de uitgang strompelen. Hij stapte af, viel ter plaatse neer en bleef in foetushouding liggen. De passagiers kwamen zwijgend aan het raam kijken. De conducteur wachtte even en reed dan verder.

Omdat ik beter werk als ik elke dag ook een ommetje maak, besluit ik om het Wyspianski-museum te bezoeken. Er is in deze stad zoveel te zien dat ik elke dag van de maand iets interessants zou kunnen bekijken. Wyspianski is een symbolistische, veelzijdige kunstenaar die in Krakau woonde en werkte. Hij maakte tekeningen, pastels maar ook ontwierp hij decors voor theaterstukken die hij zelf schreef, en hij ontwierp meubelen, interieurs, en zelfs waagde hij zich aan gedichten. Zijn thema's zijn de Poolse tradities (in zijn tijd maakte Krakau deel uit van het Oostenrijks Hongaarse rijk), vrijheid en de romantiek. En in het museum vind ik een link tussen deze auteur en een beroemde Gentenaar, Maeterlinck. Wyspianski ontwierp namelijk in 1899 een affiche voor de voorstelling van Maeterlincks toneelstuk: Interieur. Ik neem me voor om het te lezen.

Mij vallen de tekeningen die hij van zijn gezin maakte op: zijn dochtertje Helenka, nadat ze ontwaakt is, haar haren in de war, haar ogen in het niets starend, maar vooral een kleine tekening van twee broertjes aan tafel, boven een bord soep, waarin werkeloos de lepel ligt. Geen van beiden wil eten, ze hebben hun ellebogen op de tafel, ze kijkend verveeld maar ook met iets van angst voor straf in hun blik. Wat een tijdloos tafereel!

Miriam Van Hee

Top

Vertaling

Lees hier Miriam Van Hee's antwoord op de brief van MichaƂ Witkowksi. Beide verschenen in De Standaard der Letteren op vrijdag 17 februari 2012.

Top

Bookmark and Share Terug