kalender

 

Erik Lindner

Biografie

Erik Lindner (1968) is een Nederlands dichter en poëziecriticus. Zijn debuutbundel Tramontane verscheen in 1996 bij Perdu in Amsterdam. Recente bundels zijn Tong en trede (2000) en Tafel (2004), beide uitgegeven bij De Bezige Bij. Onlangs verscheen de Franse bundel Terrain (Centre International de Poésie Marseille/Spectres familiers, 2007). De laatste jaren is hij ook actief als docent en als recensent voor De Groene Amsterdammer. Hij gaf les aan de Gerrit Rietveld Academie, aan de AKI (Academie voor Kunst en Industrie) en aan de Amsterdam Hogeschool voor de Kunsten. Tijdens zijn residentie in Vollezele concentreerde hij zich op nieuwe gedichten en essays. Zie ook www.eriklindner.nl

Top

Auteurstekst

Vlaams brood

Poëzie betekent overal iets anders. Dat merk ik hoe meer ik reis. Poëzie neemt in iedere cultuur een andere plek in. Het is altijd net even anders in het ene land dan in het andere. Amper terug van twee kleine maar hectische poëziefestivals in Albanië en Macedonië, mag ik een maand werken en uitrusten in Volleze. Vlaanderen heet het daar, die glooiende streek nabij Brussel. Ik zeg meteen ja.
Er loopt een oude hond over het erf met natte bladeren in zijn mond. In de tuin voor de villa liggen appels. Ik raap er een paar op en voer ze aan de twee paarden die verderop in een veld aan de rand van het bos staan. Dichten is heel weinig schrijven. Dichten is vooral niet te vaak schrijven. Dat ondervind ik door Myriam Beaudoin, de co-resident die in het andere appartement zit en de hele dag onafgebroken werkt. Research en dan typen, dat is de ware prozaschrijver, dat is pas het echte werk. 's Avonds eten we met zijn tweeën, de gastvrouw is op vakantie. Het eten wordt ons geserveerd door Anne, die bloost als we bloemen voor haar meenemen. Langzaamaan onstaat het idee dat we hier wonen, en steeds meer spelen we kasteeldame en kasteelheer. Myriam kan ongelooflijk goed luisteren. Tijdens de twee, drie uur dat we dineren, ontspinnen lange gesprekken. Over het schrijven, over onze families, over onze reizen. De hond die op het erf rondloopt is dezelfde hond die bij haar familie in Canada wegliep, bedenkt Myriam, hij heeft de hele oceaan overgezwommen.
Het eerste wat ik in Vollezele doe, is een aantal korte teksten maken. Het Trage Vuur, tijdschrift voor Chinese literatuur, wil een reactie op een gedicht van de negende eeuwse Yao He. Die vindt zijn eigen werk maar smakeloos. Hoe daarop te reageren? Ik neem een aantal beelden. Taxichauffeurs die geschoren worden onder een verkeersbrug in Taipei, met een groot wit laken om hen heen, op de stoep. Scooters met aan het stuur vastgelijmde handschoenen. Bestemmingen op de voorkant van stadsbussen die van Chinese tekens naar Engelse letters verspringen. Ik vraag me af: als ik het uitgeschreven beeld zou vervangen door een foto, is het dan nog wel een gedicht dat ik schrijf?
Myriam vertelt over haar jeugd in Afrika. De internationale scholen. Hoe het was om terug te keren naar Canada. Ze vertelt een mooi hilarisch verhaal over een reis door Brazilië, waarbij ze moet vluchten voor de jaloerse echtgenote van haar tangoleraar. Ze maakt kleine wandelingen als korte pauze van haar werkdag. Mijn uitstapjes nemen steeds grotere proporties aan. Ik verken de Kongoberg, bekijk het oplopend plein van Geraardsbergen. In een nachtcafé in Brussel onderhoudt zanger Daan me urenlang over zijn carrière. Ik ben een stadsmens in een villa in het bos. En toch voel ik me niet goed als ik me te ver van Vollezele verwijder. Er moet gewerkt worden.
Ik heb me vastgelegd een boek tot stand te helpen brengen dat De kunst van het dichten gaat heten. Behalve gesprekken met collega's en inleidingen op hun werk, dienen daar twee dragende essays voor geschreven te worden. Dat ik die essays niet thuis zal schrijven, waar ik gedwongen ben te verhuizen, weet ik ondertussen ook. Hier, in dit prachtige bos - hoe heetten die bomen nou? vraagt Myriam - moet het wel lukken. Ik maak twee korte recensies en ontvang Hotel New Flanders, het grote rode boek met zestig jaar Vlaamse poëzie.
Dat boek maakt nogal stof los. Mijn vriendin in Amsterdam noemt zich een Nederlandstalige Belg. Tegelijk moeten we juist spreken van Vlaamse poëzie. Ze kan niet tegen het Nederlandse volkorenbrood en roept elke ochtend: ‘ik wil een echte Belgische boterham!' ‘Vul toch een diepvries met broden,' adviseert mijn schoonmoeder uit Kortijk, of liever: ‘breng haar weer terug naar ons.' Dan worden we gered door de natuurwinkel, die iets bakt dat ze juist weer ‘Vlaams brood' noemen.
In Vollezele duizelt het Myriam allemaal een beetje. Ze wil graag de gewoontes leren kennen. Wat is nu typisch Vlaams, Belgisch, Nederlands? Ze mokt een beetje als ik haar niet kan helpen. Ik rijd haar met de auto naar de supermarkt. ‘We zijn verdwaald!,' roept ze nadat we de eerste de beste bocht omslaan. Ze bereidt een presentatie voor in Brussel. Als ze er vertelt over haar roman Hadassa, waarin ze als lerares Frans in Montréal een inkijkje geeft in de Joodse gemeenschap daar, realiseer ik me hoe goed ze is. Hoe voortreffelijk emphatisch ze schrijft. De teksten die ze vanuit zichzelf maakt zijn vrij lyrisch, romantisch, vertelt ze me in de auto terug. Met hulp van een redacteur schaaft ze die bij. Ze werkt in Vollezele aan een roman die in de jaren vijftig speelt, waarvoor ze haar hoofdpersonages elkaar liefdesbrieven laat schrijven.
Het is mooi, het Pajottenland. Over een voormalige spoorbaan loopt een voetpad. In een veld nabij staan een aantal witte ganzen tussen de groene struiken. Myriam kijkt er lang naar.
‘Vorm en evenwicht,' heet het essay waaraan ik werk. Waar houdt het gedicht op een gedicht te zijn, waar ligt de grens en wanneer heet het geen gedicht meer? Het is een onmogelijke vraag. In hoeverre verandert er wat als je het gedicht niet in een boek publiceert en gebruikt op een beeldscherm? Ik maak een scheiding tussen dat wat werkelijk voor het scherm bedoeld is, ondertitels bij filmpjes van Paul Bogaert en bewegende gedichten van Tonnus Oosterhoff, en dat wat een bewerking is van een reeds in een bundel gepubliceerd of te publiceren gedicht. Als ik uiteindelijk aan het werk ga, worden mijn bewegingen hoekig. Myriam, die op een barkruk in de keuken zit, giechelt erom. Ik laat van alles uit mijn handen vallen en stoot overal tegen aan, ben de hele tijd binnensmonds aan het mompelen. Ze herkent me niet meer, zegt ze.
Even in die keuken, terwijl ze weer aan het werk is, overvalt me de twijfel. Wil ik eigenlijk wel een boek maken? Ik publiceer in tijdschriften en kan teksten op een website plaatsen. Even beneemt de materie die ik beschrijf me de moed. Maar dan val ik aan en staat het essay er in amper twee dagen. Poëzie blijft altijd in een marge ontstaan. Dat heeft niets met de boekdrukkunst te maken. Het begrip essay is voor mij al problematisch. Ik ben niet goed thuis in filosofie en in theorie. Wat ik graag doe is beschrijven wat ik lees en wat ik zie. Door een nevenschikking te maken van filmpjes naar aanleiding van gedichten, krijgt de tekst toch een geraamte.
We krijgen gasten te eten. Pol Hoste heb ik al heel lang willen ontmoeten. Hij kan op een heel aanstekelijke manier giechelen. Alles wordt komisch in zijn nabijheid. Zijn boeken over Montreal zijn heel treffend. Als ik hem vertel dat ik de laatste tijd wat teveel op de Balkan geweest ben, proesten we het opnieuw uit.
Het einde van het verblijf raakt in zicht. Ik weet dat als ik in Amsterdam ben, ik bliksemsnel een huis moet vinden. Myriam gaat een huisje huren buiten Montréal om daar verder te schrijven. Ze zal er in de sneeuw zitten. Ze vertelt me over verschillende soorten schoenen waarmee je op sneeuw kan lopen. Even zie ik haar als een stripfiguur grote stappen zetten op twee tennisrackets. We nemen dezelfde trein naar Brussel Centraal en ik breng haar naar de trap van haar trein naar het vliegtuig. We doen onhandig. Raar, we waren een maandlang familie, kasteeldame en kasteelheer, en nu is ze een meisje uit Quebec dat met een veels te grote koffer over een stationstrap hobbelt.
Een half jaar later schrijf ik alsnog een recensie over Hotel New Flanders voor De Groene Amsterdammer. Na veel talmen, want ik heb het liever over bundels dan over een bloemlezing, en als Nederlander zeg je over deze kwestie al snel het verkeerde, ook al ben je opgevoed door een grootmoeder uit Wales. De Vlaamse poëzie direct na de oorlog is al veel barokker, veel sensueler en seksueler, valt me op. Er zit veel fruit en gevogelte in de geselecteerde gedichten. En later surrealistischer. Hoe meer ik reis hoe meer ik bemerk dat poëzie overal anders gewaardeerd wordt, dat ook. En tussen Nederland en België is het verschil misschien klein, maar daarmee juist zo precair. En ja, er is een Vlaamse poëzie die eigen is en op zichzelf staat.

 

Top
Villa Hellebosch
3.11.08 > 1.12.08

Bookmark and Share Terug