kalender

 

Willem van Toorn

Biografie

Willem van Toorn (1935) is dichter, prozaschrijver, essayist, vertaler en redacteur van het Nederlandse literaire tijdschrift Raster. Voor zijn poëzie ontving hij reeds de Jan Campertprijs, de Herman Gorterprijs en de A. Roland Holstpenning. Zijn residentie in Vlaanderen paste in het project Hoezo Europa ? dat hij realiseert met fotograaf Theo Baart. Samen onderzoeken ze hoe landschappen die beschreven werden door grote twintigste-eeuwse schrijvers zijn geëvolueerd onder druk van het marktdenken. Voor België kijken ze naar het land van Louis Paul Boon. Daarnaast werkte Van Toorn aan zijn vertaling van Kafka's Drucke zu Lebzeiten.

Top

Auteurstekst

Toen ik tegen het einde van 2007 werd uitgenodigd om de maand februari te komen logeren in de villa Hellebosch, te Vollezele bij Brussel, dacht ik: niet doen. Wat moet een door de goden toch al tamelijk verwende schrijver, met een goed huis in Amsterdam en ook nog een aardig onderkomen in een van de meest onbedorven streken van Frankrijk, een hele maand in een villa bij Brussel? Hou ik eigenlijk erg van Brussel? En van logeren? Waarom nodigen ze niet jonge mensen uit voor wie het een zegen kan zijn, een maand niet aan avondeten, de vuilniszak aan de stoeprand of andere dagelijkse beslommeringen te denken?
Maar de dagen daarna begonnen zich tegenargumenten te melden. Moest ik het niet juist wél doen, omdat ik sinds de dood van twee goede vrienden heel België als een soort non-lieu was gaan behandelen, om een term van de Franse socioloog Marc Augé te gebruiken? Voor mij was België jarenlang het domein van Eddy van Vliet en Herman de Coninck, vertrouwd, toneel van mooie maaltijden, lange gesprekken, veel lachen, ontmoetingen met andere dichters en schrijvers uit hun kring. Herman zocht ik op in de Ardennen, waar hij samen met Benno Barnard een huisje huurde om te werken, ik maakte mooie tochten met hem door Nederland en hij schreef een schitterende inleiding voor een Italiaanse uitgave van mijn gedichten. Van hem leerde ik de mooie uitdrukking ‘hij weet niet van wat hout pijlen te snijden'. De nacht voordat hij naar Lissabon vertrok voor het laatste festival van zijn leven, logeerde hij bij ons in Amsterdam. De veel te vroege dood van die twee maakte van België, realiseerde ik me, een groot zwart gat waar ik snel doorheen reed naar de Franse grens. Misschien moest ik moed vatten en juist wel een maand in het niemandsland verblijven. Daar kwam bij dat ik met fotograaf Theo Baart, met wie ik in het voorjaar van 2007 het boze pamflet over de vermarkting van het Nederlandse landschap Projekt Nederland publiceerde, een boek aan het voorbereiden ben over de invloed van de vrije markt op Europese (schrijvers)landschappen. Een onderneming waarvoor we van plan waren ook te onderzoeken wat er gebeurd was met het landschap van Louis Paul Boon, waar we al in de jaren '80 een ‘portret' van hadden gemaakt voor het betreurde tijdschrift Avenue. Op de kaart zag ik dat Vollezele met de auto misschien een kwartier van Aalst af lag. Ik meldde het Fonds voor de Letteren en Het beschrijf dus haastig dat ik graag naar Vollezele zou komen.
Omdat ik onze opgewekte West Highland White terrier Pip moest meenemen (mijn geliefde was die hele maand veel op reis), vroeg ik of ik het mooie appartement aan de achterzijde van Villa Hellebosch mocht, waar Pip een terras en een tot aan de horizon weglopend grasveld als speelterrein had als ik met de tuindeur open zat te werken. Het andere appartement werd bewoond door de jonge dichteres Florence Tonk, met wie ik 's ochtends bij het koffiezetten en het informeel ontbijten in de gastenkeuken het wereldgebeuren doornam. Als ik niet luisterde naar haar fascinerende verhalen over Amerika, waar zij gestudeerd had, of de Oekraïne waar zij een tijdlang gewoond had en die het decor was van de eerste roman waar zij aan werkte. 's Avonds aten wij in de salon. Soms zag ik in mijn deuropening onze gastvrouw de beeldhouwer Alexandra Cool in de tuin aan het werk, en een keer zag ik haar en haar man Paul te paard het enorme grasveld oversteken. Dat Paul Buekenhout ook op de villa woonde, was een aangename verrassing; hem kende ik van jaren geleden, toen hij voor Het beschrijf mee naar Turijn was, waar Rudi Wester en hij Nederlandse en Vlaamse schrijvers presenteerden op de Boekenbeurs. Hij zat te paard alsof hij op zo'n beest geboren was. Het leek wel Memoirs of a Fox-Hunting Man.
's Morgens werkte ik, net als ik in Amsterdam of Le Petit Jouhet zou hebben gedaan, aan de vertaling van Kafka's Drucke zu Lebzeiten voor Atheneum. 's Middags mocht ik er van mezelf op uit om het land te verkennen. Ik maakte wandelingen door Ninove en Aalst, reed en liep door het prachtige lege land om Vollezele, ontdekte het kasteelpark van Edingen of Enghien (ideaal voor wandelingen met Pip) en stuitte dus op de taalgrens, de fysieke invulling van wat in de berichtgeving over de eindeloze Belgische kabinetscrisis voor Nederlanders in hoge mate abstract bleef. Ik moest vaststellen dat er voor iets zinnigs over het landschap van Boon veel dieper in het landschap gegraven moet worden dan ik mij had voorgesteld. Toen Theo en ik meer dan twintig jaar geleden in Aalst verbleven, was de herinnering aan Boon en zijn wereld nog overal zichtbaar; nu is Aalst een stad met winkels als Breda of Eindhoven en lijken de foto's in het Avenue van de jaren '80 een eeuw geleden gemaakt. Maar er viel in het veranderende landschap veel verbijsterend nieuws te ontdekken dat zijn plaats zal krijgen in dat essay van Theo en mij, maar dat hier nog verzwegen blijft.
Theo en ik hielden een praatje over onze plannen in de mooie boekwinkel van Het beschrijf. Aardig, aandachtig publiek. Ik las gedichten voor, net als Peter Theuninck, die er ook was met fotograaf Kristof Ghyselinck. Geliefde kwam op bezoek, net als mijn vriend K. Michel*. Ik sprak eindelijk weer eens uitgebreid met Benno Barnard en in zijn gezelschap met Stefan Hertmans en Sigrid Bousset, zodat ‘België' ook weer gezichten van vrienden begon te betekenen. En ik schreef, behalve eindeloze pagina's aantekeningen, gedichten die een plaats krijgen in mijn het komende voorjaar te verschijnen bundel De hofreis, maar die ik hier toch maar vast presenteer.
Het eerste, tweedelige gedicht ‘Geen zoon' heeft te maken met een bezoeker uit het dorp, een kleine jongen die met zijn hond tegen de avond vaak even op het terras kwam zitten om ernstige gesprekken te voeren. Terwijl zijn hond met Pip speelde, bespraken wij serieuze wetenswaardigheden als sterrenbeelden en nachtbeesten, en ik (vader van twee prachtige dochters) betrapte me op de neiging hem kort alles bij te brengen wat ik mij herinnerde van Jongens en de vrije natuur.

Geen zoon

1
Al dat mooie weten, de precieze maat
van de volmaakte katapult, en van welk hout
pijlen te snijden voor je boog, waar staan
Orion en de Kleine beer, hoe moet

je met een natte koperen stuiver (en waar vind je die)
mieren de doortocht naar de jam versperren,
hoe zoek je het noorden met je polshorloge
en de stand van de zon, hoe maak je vuur

met je vergrootglas en droog gras. Jongens en de natuur,
daar stond het allemaal in. En vader wist de rest
van hoe een jongen zich uit de nood moet redden.

Niet doorgegeven want geen zoon. Dochters van volle glorie
wel degelijk, maar wat ze te vertellen
over de aarde en de dingen: in geen jongensboek
lees je wat zij al wisten voor ze konden lezen.

2
De kleine jongen uit het dorp komt langs
en zit op het terras. Tussen zijn voeten
zit zorgelijk zijn zwartwitte jonge hond
en luistert of hij wel gelukkig is.

Ik heb nu een stiefvader, zegt hij, mijn echte vader
is twee jaar dood meneer. De hond kijkt op
en spitst zijn oren. Ik vraag of hij wel aardig
is, die nieuwe vader. Hij aait de hond en zegt: Och ja,
ik geloof het wel. En in mijn hoofd
valt het boek open bij de tekening met pijlen
van hoe je uit de draaikolk zwemt: eerst lood-
recht naar de bodem en daar ijlings
opzij en ‘weg met enkele krachtige slagen'.

Maar zwijgen past mij. Stiefvaders zijn vaders.
Het wordt al donker, zegt hij. Hoort u daar de vos
keffen achter het bos meneer? Ga dan maar gauw

zeg ik, je hebt nu voor onderweg nog licht.
Jongen en hond. Ze worden stipjes voor het avondrood
Diep achterin de laan. Het boek valt dicht.

*

Het tweede gedicht heeft te maken met mijn niet aflatende verbazing over de taalgrens.
En de tekens van de verschillende culturen, zo dicht op elkaar in dat mondialiserende Europa
van ons en dan ook nog binnen één land, die je in het landschap meent waar te nemen.

*

Taalgrens, Enghien/Edingen

De Schoolstraat doorgestreept. Rue de l‘école
maakt niet alleen plaveisels anders en de klank
van snelle kindervoeten daarop, van gruis naar asfalt,
klompen naar sportschoenen, maar brengt ook

accenten rood aan van geraniums in vensterbanken,
licht op blinde zijgevels, maakt de vrouw in het zwart
op het pad met de kruiwagen vol brandhout
ouder dan ik eerst dacht. Als jij hier zou bestaan
droeg je een naam uit een geschiedenis
waarin ik niet voorkwam, was er een nieuwe taal
nodig om je te spellen woord voor woord.

--
Noot

* Michel en ik namen (met Miriam vanhee en Luuk Gruwez) enige jaren geleden deel aan een poëzie-vertaalprojekt in Bloemfontein, Zuid-Afrika. Daar was onder anderen ook de dichter Daniel Hugo bij betrokken, wiens foto we zagen in de rij gastenportretten in de gang van Hellebosch. We begonnen meteen geestdriftig te fantaseren over een rol die de villa zou kunnen spelen bij dergelijke vertaalontmoetingen tussen Nederlandstalige dichters en anderstalige gasten. Ter overweging. Plaats genoeg. Gastvrijheid genoeg.

Top
Villa Hellebosch
4.02.08 > 3.03.08

Bookmark and Share Terug